Het woord “duizend” in de titel van mijn voordracht (“De duizend gezichten van verzet en collaboratie”) is zoals u natuurlijk al doorhad een slag in de lucht. Het is zomaar een getal. In de periode sinds 1945 is de oorspronkelijke nationale herinnering, een blok graniet waarin de tekst was uitgefreesd dat het land de vuurproef van de oorlog in moreel opzicht prima had doorstaan, vervangen door oneindig veel losse herinneringen die onderling om de voorkeur van het publiek strijden. In de beeldspraak van daarnet: het blok graniet heeft plaats moeten maken voor grote hopen grind (“Oneindig veel”, laten we zeggen “duizend” kiezelstenen), waarvan elk steentje zijn eigen verhaal vertelt. Om nog iets van de oorlog te snappen sprokkelt het publiek wat verhalen bij elkaar, waarbij het enige criterium is dat ze elkaar niet mogen tegenspreken. Zo krijg je samenhang, maar het is wankele samenhang. En dat zijn dan de nieuwe grote verhalen van de oorlog. Die nieuwe grote verhalen zijn op zichzelf wel redelijk consistent, maar onderling heel divers; ze zijn elkaars concurrenten. Ze zijn allemaal even waar, en allemaal even onwaar.
Is het uiteenvallen van de granieten herinnering in concurrerende grote verhalen goed, mooi, prijzenswaardig en zoals het hoort? Of is het jammer, te betreuren, verkeerd en een gemiste kans? Waar is de autoriteit die ons vertelt hoe we weer aan een gemeenschappelijk groot verhaal kunnen komen? De wetenschap kan ons niet helpen, vrees ik, want de wetenschappelijk gestuurde herinnering heeft het altijd afgelegd tegen andere krachten. Eerst tegen het populaire blok graniet dat zei dat we met elkaar “goed” waren geweest, daarna tegen die grote variëteit aan verhalen, waarin gaandeweg als een van de weinige gemeenschappelijke ondertonen te horen was dat het Nederlandse volk eigenlijk nogal “fout” is geweest.
Herengracht 380-382 in Amsterdam, een prachtig pand, misschien wel het mooiste van de stad, huisvest het NIOD, het instituut voor Oorlogs, Holocaust- en Genocidestudies. Marjan Schwegman, hier aanwezig, is er de baas. Haar functie wekt mijn ontzag, maar niet mijn jaloezie, want het lijkt me een erg moeilijke baan, maar haar werkplek maakt me wel jaloers. Vroeger heette het NIOD het RIOD: Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Het werd, gehuisvest op een ander plekje aan dezelfde Herengracht, met strakke hand geleid door dr. Lou de Jong. De Jong heeft zijn leven besteed aan het schrijven van een samenvattende studie over de oorlog. Zijn prestatie was indrukwekkend, maar het is hem nooit gelukt zijn visie op de oorlog algemeen ingang te doen vinden. Elke keer weer dat hij met een drukbezochte persconferentie een nieuw deel van zijn serie presenteerde, kwam meteen een fel debat op gang in de pers. In die debatten kwam naast waardering ook veel kritiek naar voren. De deelnemers aan de discussie hadden de dingen die De Jong beschreef persoonlijk heel anders beleefd. Soms waren het mensen die zich door Lou de Jong aangevallen voelden en zich gingen verdedigen. Denk aan het beroemde “Driemanschap” van de Nederlandse Unie (Jan de Quay, Louis Einthoven en Johannes Linthorst Homan). Hoe mild De Jong ook over hen had geoordeeld, zij voelden zich nog altijd schandelijk afgeserveerd. Wat dit alles wil zeggen is dat geschiedschrijving maar al te vaak geen bijdrage is aan grotere consensus over het verleden, maar juist de voorwaarden schept voor grotere onenigheid. Je zou dit met recht een paradox kunnen noemen: een schijnbare tegenstrijdigheid. Ik vermoed dat degenen die het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie meteen na de bevrijding in 1945 oprichtten, orde in de chaos dachten te scheppen. Maar zij schiepen chaos in de orde. Dat het blok graniet van de eenduidige herinnering is vervangen door de grote hoop kiezelstenen van losse verhalen, is mede aan het onderzoek van Lou de Jong en diens opvolgers te danken – of te wijten, zo u wilt.
Wat kan uit het voorgaande de conclusie zijn? De gekoesterde collectieve, nationale, en niet op wetenschap gebaseerde herinnering is dwingend en sterk zolang de gebeurtenissen dichtbij zijn. In de eerste jaren na de oorlog was vraagtekens zetten bij het grote nationale verhaal haast ondoenlijk. Maar dan komt er een kentering. Er beginnen publicaties te verschijnen die nuances in het nationale verhaal aanbrengen. De mensen die het allemaal zelf hebben meegemaakt en die de gekoesterde collectieve herinnering in leven hielden en bewaakten, verliezen terrein. Nieuwe generaties stellen nieuwe vragen. Degenen die in de tijd van de consensus eigenlijk al een afwijkende visie hadden maar zich monddood gemaakt voelden of gecensureerd, krijgen de ruimte om hun afwijkende visies te laten horen. De vraag of het te betreuren dan wel toe te juichen is dat het blok graniet moest wijken, blijkt niet relevant. Want het was onvermijdelijk dat het gebeurde, en dan praat je dus niet over goed of slecht.
Ik kom dan bij een tweede vraag, en die luidt: heeft het überhaupt nog zin om als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, die alleen maar complexer is geworden naarmate er meer studies over zijn verschenen, te zoeken naar wat de essentie daarvan is geweest?
Het simpelste antwoord op deze vraag is, dat alleen als we proberen er iets van te leren, de oorlog naast al dat slechte tenminste nog iets goeds heeft opgeleverd. Om er wat van op te steken moeten we blijven zoeken naar de kern, de essentie. Een wat minder simpel antwoord is dat er zich in de hele vorige eeuw geen enkele kwestie heeft voorgedaan die zich met de oorlog kan meten als goudmijn voor kennis van de menselijke natuur en het menselijk gedrag. Ook om die reden is het wenselijk er belangstelling voor te hebben en de discussie gaande te houden. En een derde antwoord is eventueel dat er – onder meer blijkens de steeds toenemende onenigheid rond de herdenking op 4 mei - behoefte bestaat aan helderheid rond de vraag wat we eigenlijk herdenken en waarom herdenken de moeite waard zou zijn. Je hoorde mensen in 2010 dan wel zeggen dat de oorlog NIET na 65 jaar met pensioen was gegaan, dat de oorlog een moreel ijkpunt is gebleven, maar er bestaat geen overeenstemming over het morele signaal dat het ijkpunt uitzendt.
Eén van de bewijzen voor die stelling is, zoals net gezegd, het gebrek aan overeenstemming over het karakter van de dodenherdenking op de avond voor Bevrijdingsdag. Daarvan hebben we tien dagen geleden weer een paar sterke staaltjes meegemaakt. Overal in het land is er sprake van zingevingszoektochten, met allerlei experimenten als gevolg. Persoonlijk vond ik het idee om de zoon van de Texelse NSB-burgemeester op Texel te laten spreken de meest ongelukkige greep van allemaal. Het doel van de herdenking is immers het stilstaan bij het offer van degenen die voor het vaderland zijn gevallen. De zoon van een NSB-er kan alleen plaatsvervangend boete komen doen, en dat levert op zichzelf eventueel een mooi en waardig tafereel op, maar op 4 mei zaait het verwarring. Vorden vond ik een twijfelgeval, en bij twijfel moet je het voordeel van de twijfel durven geven. De Duitse Wehrmachtsoldaten op dat kerkhof waren gewoon dienstplichtigen en een goede kans dat ze met tegenzin en met angst in het hart opkwamen voor hun nummer. Het plan bij wijze van verzoeningsgebaar langs hun graven te lopen rechtvaardigt geen tegenactie waarbij zelfs een vliegtuig werd ingezet. En de inmenging van de rechter in deze kwestie gaat in tegen de scheiding der machten. Want elk oordeel in dezen is een politiek oordeel. Dat uitgerekend in ons land, zo’n beetje het laatste in de wereld waar de rechter wetten niet aan de grondwet mag toetsen omdat dat “politiek” zou zijn, de rechter de burgemeester van Vorden wel mag verordonneren hoe hij zich op 4 mei gedraagt, is nogal bizar.
Ik draai al een tijdje mee in het wetenschappelijk onderwijs, en heb door de jaren heen ervaren hoe onder studenten de interesse in de jaren 1940-1945 weliswaar bleef bestaan, maar de kennis steeds vager, steeds abstracter werd. De gemiddelde eerstejaars geschiedenis van nu, zal u vertellen dat het merendeel der NSB’ers misleide idealisten waren en slachtoffers van de economische depressie in de jaren dertig. Hen “fout” noemen doet niemand meer. Dat woord is zelf fout geworden. Het antisemitisme was een bedenksel van een paar idioten. Dat het in de genen van een land, van een volk, of van een werelddeel zou kunnen zijn gaan zitten, vindt een student van vandaag een raar idee. Vooroordelen komen en gaan, zoals politici met rare ideeën komen en gaan. Hitlers ideeën deugden niet, maar het waren vooral zijn retorische gaven die hem zijn succes bezorgden. Veel jongeren zijn ervan overtuigd dat het verzet gedragen werd door avonturiers die genoten van het vrije leventje en de vrije liefde, en dat de Nederlanders die niet voor de collaboratie kozen ook heel veel te verwijten valt. De mythe van ‘Nederland deportatieland’ (die zegt dat het de Nederlanders min of meer koud liet dat er meer dan 100 duizend joden werden vermoord) is stevig in hun bewustzijn verankerd. Dat dit bij de studenten zo ligt wekt geen verbazing, want ook hun ouders laten zich dit heel erg Nederlandse weg-met-ons-zelfbeeld niet graag meer afpakken. Ik weet natuurlijk niet of u op de hoogte bent van de studies op dit gebied, zoals zeer recentelijk de boeken van Bart van den Boom en Bert Jan Flim*, maar zij betogen overtuigend dat “de” Nederlanders niet wisten wat de joden in Polen te wachten stond. En ook dat tal van beschikbare onderduikadressen nooit benut werden doordat de logistiek faalde en het de hulpverleners niet lukte de vraag en het aanbod met elkaar te verbinden. Toch zal deze visie nooit voldoende serieus genomen worden. De eenvoud van de mythe van “Nederland deportatieland” is te aantrekkelijk. Als ik dat zeg verbloem ik echt niets. Er waren veel doorgewinterde antisemieten en veel verraders die voor een paar tientjes joden aanbrachten. De Duitsers rapporteerden in het voorjaar van 1944 tevreden dat de verhoging van het “kopgeld” tot 40 gulden haar uitwerking niet miste. Maar verraders had je en heb je overal. “De” Nederlander is een heel ander verhaal, een verhaal dat niet gehoord wil worden.
Wat bij de huidige studentenpopulatie sterk opvalt is dat van de oorlog vooral die dingen een duidelijke plaats krijgen waarvan beelden bestaan, zoals een brallende Hitler, de stapels met uitgemergelde doden in de kampen en de kaalgeschoren “moffenmeiden”. De Auschwitz- en Bergen-Belsen-beelden en de foto’s van kaalgeschoren vriendinnen van Duitse militairen zijn allemaal walgelijk; de walging creëert vervolgens een historisch “level playing field” waarop slachtoffers en daders steeds moeilijker te onderscheiden zijn. Maar hoe dan ook, de dingen waar geen beelden van bestaan, zijn voor de sterk beeldgeoriënteerde student van vandaag bijna te moeilijk om te plaatsen. Er is bijvoorbeeld geen helder idee van de dreigende sfeer waarin morele keuzes moesten worden gemaakt; keuzes die mensen bewust, en niet zelden in grote gewetensnood maakten. Door de fixatie op beeld, vermengd met het bombardement van zogenaamde bewijzen dat Nederland gewoon doorleefde en de ogen sloot voor de werkelijkheid, is de context weg. De mensen van toen worden, afgezien van een aantal gekken die de echte misdaden begingen, steeds meer zoals wij nu zijn. Wij hoeven zelf vandaag de dag nog maar zelden echt ingewikkelde en moreel zwaar beladen en risicovolle keuzes te maken. We kunnen ons dus steeds minder goed voorstellen hoe de oorlogsgeneratie dat wel moest.
De beeldgerichtheid van het publiek, en de oriëntatie op kennis die à la minute van het internet kan worden gehaald, zal alleen maar sterker worden. Ik zeg dat zonder diepe zucht. Het is zoals het is. Als ik college geef in een zaal met 150 studenten liggen er 150 smartphones op tafel. Het gebeurt steeds vaker dat er simultaan aan het college aanvullingen worden gegeven: “meneer, volgens Wikipedia zijn er na de oorlog geen 39 oorlogsmisdadigers geëxecuteerd, zoals u zegt, maar 40”. “En hoe komt u er trouwens bij dat 40 executies een blijk van relatief milde rechtspleging waren? Bent u soms voor de doodstraf?” En dan moet ik het hebben over de 242 executies in België, met minder inwoners dan Nederland, en de 37 in Noorwegen, met een-vijfde van het Nederlandse inwonertal, en over de tweehonderd Nederlandse doodvonnissen waarvan er dus maar 39 zijn uitgevoerd. En dan ben ik een half uur verder, en is mijn publiek de draad kwijt.
Nogmaals, u hoort me niet klagen en vroeger was echt niet alles beter. Maar abstracties zullen het steeds moeilijker krijgen, steeds meer een zwarte doos worden waaruit elke conclusie naar buiten kan barsten.
Ik kom nu bij een derde en laatste onderwerp, waar ik het diepste op in zou willen gaan, en dat is het gezicht dat ik zelf aan de oorlog geef. Met andere woorden: het gaat over mijn ene verhaal uit die spreekwoordelijke duizend.
Om het belangrijkste element daarin meteen maar te noemen: in mijn “grote verhaal” staat het conflict binnen de Nederlandse samenleving centraal. In zoverre sluit mijn beeld van de oorlog enigszins aan bij wat “de Velser affaire” is gaan heten, die in de verte aan de basis ligt van deze bijeenkomst. Van “de Velser affaire” weet ik echt – ik zou haast zeggen: gelukkig - helemaal niets af. U bent druk bezig zelf uit te zoeken, of te laten uitzoeken, hoe het precies zat. Daarom zeg ik er verder alleen over dat de kwestie draait om rivaliteit tussen verschillende takken van het verzet. Dat het verzet geen eenheid vormde staat vast. Dat de rivalen achter de schermen een harde strijd voerden staat ook vast. Tot welke excessen dat heeft geleid is minder zeker, en vooral de schaal waarop zich excessen voordeden is nog volop in discussie. Die discussie laat ik verder links liggen, anders zitten we binnen de kortste keren toch weer bij “de Velser affaire”.
Het conflict in het algemeen dus.
Historici houden zich graag bezig met de vraag of de geschiedenis een kwestie is van continuïteit, dan wel van scherp onderling afgebakende periodes. Na 1945 heeft in hun betogen heel lang de nadruk gelegen op discontinuïteit. De oorlog was – zei men - een unieke periode geweest, waarna een geheel nieuwe tijd aanbrak. Deze visie sloot aan bij de bij het publiek overheersende gedachte dat de oorlog het beste in de Nederlanders naar boven had gebracht. Dat zij zich hadden bevrijd van de vooroorlogse hokjes- en schotjesgeest. En dat zij “als één man” tegen de Duitsers hadden gestreden. Ik zei al dat de wetenschap later tal van bressen in dit bolwerk heeft geschoten. De Groninger hoogleraar Ernst Kossmann, die ik goed heb gekend en bij wie ik in 1980 ben gepromoveerd, was één van degenen die de gedachte dat de oorlog een ander Nederland had geschapen bespottelijk vond (ik gebruik met opzet een heel Kossmanniaans woord: als hij het ergens mee oneens was noemde hij het al gauw “bespottelijk”). Kossmann was een typische liberaal en als historicus een man zonder illusies. Tijdens de oorlog had hij in Duitsland dwangarbeid verricht. Terug in Nederland trof hij een als vanouds verdeeld land aan. De meeste politieke partijen van vroeger keerden terug, de zuilen herpakten zich, de Indonesische kwestie dreef de tegenstellingen extra op, de tucht en ascese aan de oppervlakte van de wederopbouw waren maar een dun laagje vernis. Met de moraliteit van de bevolking was het droevig gesteld. In plaats van dat de oorlog een sterker besef van goed en kwaad had doen ontstaan, bloeiden het cynisme en het egoïsme.
Niet dat ik alles wat Kossmann vond overnam, maar in mijn eigen promotieonderzoek over de geschiedenis van de Anti-Revolutionaire Partij in en na de oorlog is me ook nooit iets gebleken van een paradijs van eenheid. De redactie van het uit het verzet voortgekomen blad Trouw schreef dag in, dag uit, en dat vele jaren lang, dat het verzet tegen de Duitsers helemaal niet ten doel had gehad de nationale eenheid te versterken. Herstel van de vrijheid en de democratie: dat, en dat alleen, was de bedoeling geweest. Trouw wilde dat alle vooroorlogse partijen en de verzuilde organisaties gewoon weer zouden terugkeren. Pas dan mocht worden besloten hoe wij ons land als Nederlanders gezamenlijk weer op zouden bouwen. Alleen het parlementaire debat kon tot eenheid leiden, niet een fusie van partijen. Van het wollige gepraat over overbrugging van tegenstellingen in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, dat zou leiden tot de oprichting van de Partij van de Arbeid, moesten de anti-revolutionairen niets, maar dan ook helemaal niets hebben. Hetzelfde gold voor katholieke en christelijk-historische politici. Weg met die zogenaamde “geest van Gestel”, riepen zij in koor, een enkele uitzondering daargelaten. We gaan gewoon verder waar we in 1940 gebleven waren; dat was hun motto na de bevrijding.
De idylle van eenheid in het naoorlogse Nederland was, kortom, een fictie. Achter de straten vol vlaggen en zingende mensen op 5 mei 1945 ging een fikse strijd om de macht schuil. Bij nadere beschouwing was ook het verzet door-en-door verdeeld, veel ernstiger dan het beeld dat na de oorlog van de voorbije periode werd geschilderd, deed vermoeden.
Globaal waren er drie organisaties die het verzet actief pleegden en het tevens coördineerden. (Tussen haakjes: de Duitsers waren hiervan perfect op de hoogte; de organisatie van het verzet kende voor hen weinig geheimen.)
Allereerst de “vrije jongens” van de Hulp aan Onderduikers en de Knokploegen. Dit was de jeugdigste en daardoor ook de meest onstuimige groep. Veel mensen die in deze kring actief waren hadden vanwege hun leeftijd geen vrouw en kinderen. Zij waren niet beducht om het gevaar op te zoeken, simpelweg omdat zij minder te verliezen hadden. Iemand over wie ik zelf op dit moment onderzoek doe, een Alkmaarder met de naam Fritz Conijn, was zo’n typische vrijgezel, die tegen vrienden met een gezin zei: “Laat mij het maar doen, als ze mij pakken is dat minder erg dan als ze jou pakken.” Als 17-jarige gymnasiast al in het verzet en kort na zijn 21e verjaardag voor het vuurpeloton. Hij was geen uitzondering; het is tamelijk vaak voorgekomen.
Ten tweede was er de meer bedaagde Ordedienst, de “OD”, onder leiding van Jhr. P.J. Six. Hierin waren veel militairen actief. Deze groep was duidelijk conservatiever, “rechtser”, dan de weinig politiek georiënteerde knokploegen. Allerlei leden van de OD zetten gewaagde verzetsdaden op hun naam, maar de OD als geheel was nogal afwachtend en hield het oog gericht op de periode waarin de Duitsers zouden beginnen het veld te ruimen en er misschien een machtsvacuüm ontstond. In die situatie zou de OD als club van goede vaderlanders met de nodige organisatorische en bestuurlijke ervaring, pas werkelijk nut hebben.
Ten derde was er de Raad van Verzet, die net als de OD als een bundeling van het verzet begon, maar uiteindelijk de rol van een groep apart ging spelen. Er is veel meer over het karakter van de OD en de Raad van Verzet te vertellen. Maar zo’n verhaal wordt al gauw een tot mislukken gedoemde poging uit te leggen wie ruzie had met wie, binnen deze organisaties en tussen deze organisaties, en te beschrijven hoe zij elkaars concurrenten waren in het contact met de regering in Londen, meer in het bijzonder met de Nederlandse inlichtingendienst, het “Bureau Inlichtingen”. Ik laat de ruzies rusten. Ze waren onverkwikkelijk en hadden soms dramatische gevolgen. Waar het conflict heerst kan de vijand in troebel water vissen en met zijn V-Männer (mollen die in organisaties binnendrongen om voor de Duitsers te spioneren) toeslaan. Na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, vond de regering het hoog tijd worden dat de drie grote groepen meer gingen samenwerken. Samen zouden zij de “Binnenlandse Strijdkrachten” vormen, onder leiding van Prins Bernhard. Men sprak van de Delta of de Driehoek. Het heeft enorme inspanningen gekost om de Delta tot een eenheid te smeden, en het is nooit helemaal gelukt.
De verdeeldheid had allerlei oorzaken. Men streed om de eer, om de macht, om de toekomst van Nederland. Het vooroorlogse anticommunisme speelde bijvoorbeeld een niet onbelangrijke rol, overal waar communisten actief waren in het verzet. Vooral de OD moest niets hebben van communisten en bewaarden dus afstand van de Raad van Verzet, waar de communisten relatief veel invloed hadden (weer met volledig medeweten van de Sicherheitsdienst). De rechtervleugel van het verzet had ook geen hoge dunk van de democratie en zou het niet erg vinden als Nederland in de toekomst enigszins autoritair geleid ging worden. Voordat ik sprekend over het anticommunisme van de OD toch weer bij “de Velser affaire” uitkom sla ik gauw de hoek om naar de kwestie welke rol “het verzet” voor zichzelf weggelegd zag in de naoorlogse politiek. Ook daar zien we allerlei vormen van conflict.
In een land als Denemarken, om een voorbeeld te noemen, kreeg het verzet een belangrijke politieke rol in het naoorlogse bewind. Dat kwam door omstandigheden die alles te maken hadden met de lauwe reactie van het officiële Denemarken op de bezetting. Het land gaf zich in april 1940 binnen twee uur over toen de Duitsers aanvielen, het onderging het Duitse bewind vervolgens lijdzaam, en Berlijn beantwoordde deze tegemoetkomendheid met een aanpak van de fluwelen handschoen. De Denen mochten nog jaren gewoon naar de stembus en de koning werd met rust gelaten. Het Deense verzet was klein van omvang maar wel effectief, dat laatste onder meer bij het in veiligheid brengen van Deense joden. Het is echter al met al een enorm raadsel hoe publicisten als Anton van Hooff, niet gehinderd door kennis van zaken, de Denen keer op keer aan Nederland ten voorbeeld durven stellen. Als de Deense premier Rasmussen in 2003 in een officiële speech verklaart dat de Denen zich moeten schamen, waarom moeten wij hen dan zo ophemelen? En hoe komt het toch dat het onzinverhaal van koning Christiaan X die met een jodenster op zijn revers door het park in Kopenhagen paradeert, om zijn solidariteit met de joden te tonen, zo hardnekkig in ere wordt gehouden? De jodenster is door de Duitsers in Denemarken nooit ingevoerd.
Dat het verzet na de bevrijding een politieke rol kon opeisen, was het gevolg van de grote verlegenheid bij de Deense politieke elite. Als we het verzet naar voren schuiven, zullen we door de geallieerden minder gauw als een collaborerend land worden beschouwd, zo was hun redenering. In Nederland lag de situatie heel anders. Afwijkend van wat velen nu denken, hadden wij weinig om ons voor te schamen. En in ieder geval was er geen geallieerde die op het idee kwam Nederland iets te verwijten. Er lag dus geen straf op de loer. Belangrijker nog dan het ontbreken van de noodzaak een façade op te richten waarachter de politiek zich kon verschuilen, was de apolitieke instelling van het verzet zelf. Veel verzetsmensen waren afkomstig uit politieke richtingen die vonden dat oorlog en vrede niet in elkaar mochten overlopen. De verzetsmensen moesten na gedane arbeid gewoon naar huis en aan het werk gaan. De politiek nam het landsbestuur weer over – ik noemde al het voorbeeld van de ARP en het aan die partij gelieerde dagblad Trouw. In de krantjes en tijdschriften van de voormalige illegaliteit klinkt een doodenkele keer spijt door over het missen van een gouden kans op bestuurlijke verantwoordelijkheid voor degenen die de eer van het vaderland hadden verdedigd, maar dat soort geluiden werd door alle officiële woordvoerders van het verzet meteen de kop ingedrukt.
De enige uitzondering op het gebrek aan politieke ambities waren de communisten. Zij waren voor de oorlog al overal van uitgesloten geweest en hoopten voor hun standvastigheid in het verzet te worden beloond met politieke ambten. Als gevolg van het uitbreken van de Koude Oorlog kwam daar niets van terecht. Alleen in de stad Amsterdam werden twee CPN-wethouders benoemd. Landelijk bleef de ban op communisten van kracht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de communistische oud-verzetsmensen zich tekortgedaan voelden. Terwijl de rest van het verzet weliswaar geen politieke functies bekleedde, maar zich liet voorstaan op een heldenrol, voelden zij zich ingesnoerd in een cordon sanitaire. Bij de eerste naoorlogse Tweede-Kamerverkiezingen kreeg de CPN meer dan 10 procent van de stemmen. In plaats van dat dit aanleiding was hen meer bij de zaken te betrekken, sloeg de angst voor hun invloed toe en werden zij minder bij de zaken betrokken. Als dat geen conflict is. Een conflict tussen wat redelijk zou zijn geweest in een democratie, en de dwang die van de Koude Oorlog uitging. En een conflict tussen de verzetsmensen die nog wel meetelden, en degenen die werden buitengesloten.
Het conflict is ook te zien in de vorm van ‘blaming the victim’ waarvan de joden die uit hun onderduik en uit de kampen kwamen het slachtoffer werden. De taboes rond wat hun was overkomen droegen bij tot een opleving van het antisemitisme – het zelfverwijt van een samenleving kan kennelijk vreemde uitwegen zoeken. De Duitse propaganda was niet zonder effect gebleven, en negatieve ervaringen van mensen die zich als onderduikadres hadden aangeboden speelden ook een rol. Zelfs het brandschone blad Trouw repte van ‘teleurstellingen die velen onzer bij hun bemoeienissen met Joden hebben ondervonden’. Maar het was vooral de algemene concurrentiestrijd om aandacht voor, en erkenning van aangedaan leed die de joden opbrak. Zij waren het exclusieve doelwit van door de nazi’s gepleegde genocide geweest. De Duitsers waren er nooit op uit geweest het Nederlandse volk te elimineren. Zij hadden het qua uitroeiing exclusief op de joden gemunt. Elke verwijzing naar die exclusiviteit vanuit joodse kring stuitte echter op onbegrip. In een maatschappij die nog moest bijkomen van de ongekende totaalervaring die de oorlog was geweest en waarin de meeste mensen vol waren van hun eigen slachtofferschap, kregen zij naar het hoofd geslingerd dat zij niet moesten proberen zich te laten voortrekken.
Dan de rechtspleging en de zuivering, gericht tegen “foute” Nederlanders. Die noemde ik daarnet “mild”, maar de relatieve mildheid neemt niet weg dat er in de mallemolen van aanklachten, onderzoek en berechting oude conflicten werden uitgevochten en nieuwe ontstonden. Het ging vaak goed en het ging vaak fout. Nogal wat lieden die pas vanaf Dolle Dinsdag aan het verzet hadden deelgenomen, hadden ineens het hoogste woord. De Fransen hadden voor dergelijke afwachters het woord “attentistes”. Hoe moeten we ze in Nederland noemen? De term “late roepingen” is eigenlijk al teveel eer, want het was vaak geen roeping maar een kwestie van “zoals de wind waait, waait mijn jasje”. De strijders van het laatste uur waren even fanatiek als laat, en bij het ophalen van NSB’ers uit hun huizen kwam het geweld juist van hun kant. (De strijders van het eerste uur zagen dit met lede ogen gebeuren, zowel dat er grof werd opgetreden, als dat vaak de verkeerde mensen de eer voor het verzet opeisten.) Het conflict werd ook zichtbaar in procedures die uit de rails liepen. In tal van gevallen werden personen verwisseld, of was de rechtsgang in conflict met wat in een rechtsstaat normaal hoort te zijn. In mijn eigen onderzoek kwam ik daarvan een sprekend voorbeeld tegen. De hoofdpersoon in mijn eigen onderzoek, Fritz Conijn, die een oom van mij was, de broer van mijn moeder, werd opgejaagd door een foute politieman. Na de oorlog werd deze meneer door de POD, de Politieke Opsporingsdienst, ondervraagd over zijn rol in de arrestatie van Conijn. Het desbetreffende proces-verbaal werd een belangrijk bestanddeel van zijn strafdossier, op basis waarvan hij vijftien jaar celstraf kreeg. Bij het doornemen van het dossier was het eerste dat me opviel, dat het verhoor was afgenomen door een andere oom van mij, de broer van de gefusilleerde Fritz Conijn. Toch heeft geen rechter in het strafproces tegen de foute politieman een wenkbrauw gefronst. Dacht de edelachtbare misschien dat alle Alkmaarders Conijn heetten? Of kon het hem niets schelen? Stelt u zich voor dat in de zaak tegen Willem Holleeder het verhoor is afgenomen, en het proces-verbaal opgesteld door de broer van Willem Endstra. De officier van justitie die met zo’n dossier komt aanzetten heeft niet alleen geen zaak meer, hij wordt met hoon overladen, krijgt een officiële berisping, en mag voortaan alleen nog maar niet-brandende fietsachterlichtjes behandelen. Maar in 1945 kon dat allemaal. Toen ik mijn oom die de oorlog wél had overleefd vroeg hoe dit had kunnen gebeuren zei hij: “Zo ging dat in die dagen.”
Het conflictueuze gezicht van “mijn” grote verhaal van de oorlog heeft zich de volle periode 1940-1945 laten zien, maar het meest sprekend in het laatste oorlogsjaar, van mei 1944 tot de bevrijding. De SD ging langzamerhand als een dolle tekeer tegen de illegaliteit, de NSB’ers en WA’ers begonnen als het even kon aan een dubbelleven waarin ze in de openbaarheid de Duitsers bleven helpen maar in het donker zoete broodjes bakten met de ondergrondse; iedereen wist dat het einde naderde en iedereen probeerde in de allereerste plaats de tussentijd te overleven. Duizenden sloten zich aan bij het verzet, waar ze eerst met argwaan werden bekeken en vervolgens toch maar aan het werk gezet. Na de invasie in Normandië op 6 juni gaf de Führer opdracht ook de schijn van correcte justitiële procedures tegen terroristen te laten varen en na 5 september, Dolle Dinsdag, was er voor de bezetter geen middel meer dat niet door het doel werd geheiligd. De represailles tegen de bevolking van Putten en bij de Woeste Hoeve na de aanslag op Rauter lagen toen nog in de toekomst. Terechtstellingen vonden steeds vaker bij wijze van afschrikking in het openbaar plaats. Tegelijkertijd gebeurde er nog veel meer kwaad in het geniep. Dat bracht immers het minste risico van straf en boete na de oorlog met zich mee. De vlam ging in het papier dat in toekomstige processen als bewijsmateriaal kon dienen.
Tussen licht en donker bevond zich de schemering waarin kwaadwillende elementen in beide kampen gedijden. Met het legitieme verzet vermengde zich diverse pure criminelen, die Duitsers en collaborateurs beroofden, en soms vermoorden, alleen en uitsluitend om het geldelijk gewin. Vooral in de grote steden was dit het geval, maar nog het allermeest in Den Haag. Het verschil tussen overvallen die nodig waren voor de overwinning, en geweldpleging ter persoonlijke verrijking was soms moeilijk te zien. Nederland werd in een paar maanden tijd een maatschappij in totale ontbinding. Mensen vochten vetes uit, het nut van liquidaties werd door het verzet steeds minder zorgvuldig afgewogen, spanning en uitputting sloegen aan alle kanten toe, wie wat op zijn kerfstok had werd als vanzelf een desperado. De klassieke arrestatiescène rond de bevrijding was niet dat de NSB’er thuis werd opgehaald. Nee, de echt foute jongens wisten het gewoon niet meer, ze gooien hun wapens en uniformen weg, waagden zich niet aan een ontsnappingspoging door de linies heen, wandelden wat rond in de stad, in afwachting van wat komen ging.
Nederland was in het laatste oorlogsjaar niet alleen bezig zich te bevrijden, het bereidde zich ook voor op de toekomst. Wie zou de macht of de eer krijgen en wie mocht de macht of de eer vooral niet krijgen? Zelfbenoemde militieleiders (ik kan ze net zo goed “warlords” noemen) begonnen de door Londen erkende illegaliteit voor de voeten te lopen. Een librettist met gevoel voor het absurde zou nog eens een opera moeten schrijven over Nederland tussen januari en mei 1945. Dat zou dan een héél andere voorstelling worden dan wat momenteel als “Soldaat van Oranje” met veel succes in een theaterhangar op het voormalige vliegveld Valkenburg wordt opgevoerd.
De idealistische verzetsstrijder die met het Wilhelmus op de lippen streed was er wel, maar vormde een uitzondering. In de illegaliteit hadden weinigen slechts één belang voor ogen en weinigen verloren hun persoonlijk belang geheel uit het oog. Na de bevrijding zou het conflict aanhouden. In de grote politiek, in de kleine politiek, en in de overgang van een ‘maatschappij in oorlog’ naar een ‘maatschappij in vrede’. De idealisten weigerden onderscheidingen, smeekten de regering zelfs om geen civiele lintjes uit te delen. Er was ook een groep - en ik wil ze niet de mindere goden noemen, maar het was merendeels niet de eerste garnituur - die achteraf spijt kreeg van hun bescheidenheid. Het compromis van na de oorlog, dat militaire onderscheidingen werden uitgereikt aan burgers die feitelijk militaire acties hadden uitgevoerd (de MWO) en daarnaast aan de honderd meest vooraanstaande gesneuvelde verstestrijders postuum een “Verzetskruis” werd toegekend, hield op de lange termijn geen stand. In 1980 (1980!) kregen zo’n 15 duizend verzetsmensen het verzetsherdenkingskruis. Je moest er zelf om gevraagd hebben. De toetsing stelde weinig voor. Dat alleen al dempte bij veel gegadigden het enthousiasme. Om niet te zeggen dat zij er hun neus voor ophaalden.
Dames en heren,
Op dit gezicht van de oorlog, het conflict, een van de duizend gezichten, mijn keus als “het” gezicht, heb ik vanavond de aandacht willen vestigen. Helemaal aan het eind gekomen moet ik misschien nog een misverstand rechtzetten. Misschien denkt u dat ik hoor tot de school van degenen die met Chris van der Heijden graag spreken van een grijs verleden. Dat is geenszins het geval. Zwart en wit liepen door elkaar, maar zwart was zwart en wit bleef wit. Het kost mij geen enkele moeite enkele puntgave verzetsstrijders te noemen, of enkele doortrapte collaborateurs voor wie, als je in de doodstraf gelooft, de hoogste boom nog niet genoeg zou zijn geweest. Mijn studenten probeer ik bij te brengen dat de grijze school misleidend is, en vanwege de ontkenning van de grote offers aan de goede kant en de misdaden aan de foute moreel dubieus. Ik verwijt mijn generatie, de baby-boomers, dat zij te ver zijn meegegaan in het ‘debunken’ van wat er aan goeds is gebeurd. Om het goede te kunnen onderscheiden, moet je het conflict benoemen. Dat er conflicten binnen Nederland zelf werden uitgevochten, diverse zelfs, is in de jaren zestig en zeventig héél even als thema komen bovendrijven. Maar het ging meteen weer ten onder in het geweld van andere thema’s, zoals de collaboratie die door de generatie van de jaren zestig schromelijk werd overdreven. Waarom de baby-boomers zo graag uithaalden naar de ouderen, en daarbij het verwijt van heulen met de vijand, of tenminste het soepel meebewegen met de Duitsers als grofste geschut in stelling brachten, is een verhaal apart. Daar ben ik bewust niet op ingegaan. Maar een feit is dat de jongeren van de jaren zestig zo druk bezig waren om aannemelijk te maken dat zij zelf allemaal héél goed zouden zijn geweest in de oorlog, dat ze een kans lieten lopen om de tijdens de oorlog spelende conflicten binnen de Nederlandse samenleving te analyseren.
Ik dank u voor uw aandacht.